|
‘Vanuit zee liep ik terug naar het strand, waar Hamid op mijn
spullen paste. Maar ik kon mijn handdoek niet meer vinden. Ook
mijn tas was weg. Hamid was in geen velden of wegen te bekennen
(…)
Daar stond ik dan, in mijn zwembroek (…) Hoe had ik zo stom
kunnen zijn Hamid te vertrouwen? Kleren, paspoort, geld,
bankpassen. Alles was weg.’
|
|
'Begrijp me dan,’ roept Karim verongelijkt, ‘ik
heb toch niets te verliezen. Ik heb geen werk, geen geld, niets.
Ik kan niet eens trouwen! Hier ben ik toch al dood (…) Als ik
morgen of overmorgen ben verdwenen, dan weet je dat ik in Europa
zit.’ … ‘Maar jíj kunt toch met de ambassadeur praten. Als je
wilt, regelt hij dat toch zó voor mij?’ |
|
‘Hier meneer de
politieagent. Ik hoop dat het zo voldoende is.’ Ik gaf hem een
hand en overhandigde een opgepropt biljet van honderd dirham. Hij
keek in zijn handpalm. ‘Is dat alles? Ik vraag u vierhonderd
dirham!’
‘Het is een cadeau voor
u, alstublieft.’ (…) Toen sloot hij zijn hand en keek mij
grijnzend aan. (…) ‘Gefeliciteerd! U kent onze manieren, u
gedraagt zich als ons, u bent als een echte Marokkaan,’ zei hij
joviaal. ‘Welkom in Marokko!’
|
|
‘Steeds meer kom ik
erachter dat alles wat God verboden heeft hier wel degelijk
gebeurt – maar dan in het geniep, want o wee als iemand erachter
komt. In de koffiehuizen wordt alleen cola, Fanta, koffie en
muntthee gedronken. Maar achter de schermen vloeit de drank
rijkelijk en wordt er stevig geblowd. Ook schrikt men niet terug
voor voorhuwelijkse seksuele contacten, overspel, prostitutie en
homoseksualiteit. Tineghir heeft zelfs een bescheiden hoerenbuurt.
|